De of het reis: wat is juist?
Het is de reis. Altijd. “Het reis” bestaat niet in het Nederlands.
Toch twijfelen veel mensen bij dit woord, en dat is niet zo vreemd als het lijkt. Hieronder leg ik uit waarom het “de” is, waar de verwarring vandaan komt en hoe je het voortaan meteen goed hebt.
Waarom “de reis”?
Het woord reis is een de-woord, oorspronkelijk vrouwelijk. Vergelijk het Duitse die Reise: daar zie je hetzelfde geslacht terug.
Een paar voorbeelden:
- De reis duurde drie weken.
- Dit was de mooiste reis van mijn leven.
- Wanneer begint de reis?
- Fijne reis!
Let ook op de bijvoeglijke naamwoorden: bij een de-woord krijg je altijd een -e. Dus een lange reis, niet “een lang reis”. Bij aanwijzende voornaamwoorden geldt hetzelfde: deze reis en die reis, nooit “dit reis” of “dat reis”.
Waar komt de twijfel vandaan?
Opvallend genoeg zijn veel woorden uit hetzelfde betekenisveld wél het-woorden:
- het vertrek
- het bezoek
- het verblijf
- het uitstapje
- het avontuur
Dat zijn allemaal woorden die je in één adem met reizen noemt, en die groep trekt reis er onbewust in mee. Daar komt bij dat woorden die van een werkwoordstam zijn afgeleid vaak het-woorden zijn (het verzoek, het vertrek). Maar die regel gaat lang niet altijd op: denk aan de groei, de val, de duw, de bouw. En dus ook: de reis.
Het reisje: hier klopt “het” wel
Het verkleinwoord is het reisje. Alle verkleinwoorden in het Nederlands zijn het-woorden, zonder uitzondering. Dus:
- De reis was zwaar. → Het reisje was zwaar.
- Een leuke reis → een leuk reisje
Dat het reisje zo gewoon klinkt, versterkt waarschijnlijk het gevoel dat “het reis” ook zou kunnen. Maar het verkleinwoord verandert niets aan het grondwoord.
Meervoud: de reizen
In het meervoud wordt de s een z: de reizen. Net als huis → huizen en muis → muizen.
- Ik heb twee reizen geboekt.
- Deze reizen zijn uitverkocht.
Samenstellingen: kijk naar het laatste deel
Bij samengestelde woorden bepaalt altijd het laatste deel het lidwoord. Staat reis achteraan, dan is het “de”:
- de treinreis, de vliegreis, de zakenreis
- de rondreis, de terugreis, de wereldreis, de huwelijksreis
Staat reis vooraan, dan volgt het lidwoord het woord erachter:
- het reisdoel, het reisschema, het reisadvies, het reisbureau
- de reisgenoot, de reisverzekering, de reiskoffer, de reistijd
Dit is precies waar mensen struikelen: ze zien “het reisadvies” staan en concluderen dat reis een het-woord is. Maar daar hoort de “het” bij advies, niet bij reis.
Terugverwijzen: zijn of haar?
Omdat reis van oorsprong vrouwelijk is, kun je in principe met zij en haar verwijzen:
De reis had haar hoogtepunt in Kyoto.
In Nederland gebruiken veel sprekers hier tegenwoordig hij en zijn, en dat wordt in de praktijk geaccepteerd. In België houdt men vaker vast aan de vrouwelijke vorm. Wil je zeker zitten in formele teksten, dan is haar de veilige keuze.
Ezelsbruggetje
Denk aan de wens die je iemand meegeeft op het vliegveld: “Goede reis!” Niemand zegt ooit “goed reis”. Die -e verraadt meteen dat het een de-woord is.
Of, korter: reis rijmt op ijs en prijs, en dat zijn… nou ja, het ijs en de prijs. Dat rijmpje werkt dus niet. Hou het maar bij “goede reis”.
Kort samengevat
| Vorm | Lidwoord |
|---|---|
| reis | de |
| reisje | het |
| reizen (mv.) | de |
| treinreis, zakenreis | de |
| reisdoel, reisbureau | het |
Voor wie Nederlands leert: de-woorden vormen ongeveer twee derde van de woordenschat, dus als je echt moet gokken, is “de” statistisch de beste keuze.